Twaalf in een touringcar
Aan de voetbalvereniging, waarvan zij tot laat in de avond een
bestuursvergadering hadden bijgewoond,
waren Tjalko Schokking
en Henk Veenstra wel enigszins ontgroeid. Verlangend
om zich als vroegere sterren te doen gelden, sloegen zij nochtans zelden een bijeenkomst over, en ze dronken meer dan de
overige bestuursleden, ook die niet in training waren. Zolang de jicht de botten niet uitstraalde, wás men er nog, was men
nog voetballer méé met de anderen, ook al behoorde men maar tot de eerwaardige braintrust van de club.
Veenstra had daarbij zijn beroepsinteressen: het was prettig eerder dan de sportredacteur
te weten hoe een competitie-elftal eruit zou zien.
Maar een kinderachtig gevoel besloop hen toch steeds op die avonden,
waar zij als iets oudere intellectuelen op moesten schreeuwen
tegen twintigjarigen en hun eigen roemrucht verleden
suggereren in rook en bierwalm, – zo was het eens: de lange
Tjalko Schokking geeft de bal aan de lenige Henk Veenstra, –
Henk Veenstra schiet, – en de blonde keeper van de tegenpartij
heeft het nakijken...
Zo ongeveer stond het te lezen in oude
vergelende kranten, in het litterair nog weinig gekuiste sportjargon
van die primitieve voortijden, – zo snel ongeveer verging
van jonge spieren en gewrichten de daverende faam.
In de namiddag hadden langgerekte witte wolken met de
vage allures van gerafelde zwaardvissen een zomerse hemel bezeild.
Thans woei er een herfstige nachtwind .... |